Tim Krabbé, Marte Jacobs

“Vaak wist Emile niet of ze iets echt meende, of dat ze hem op een ingewikkelde manier voor de gek hield. Ze begreep niet, zei ze een keer toen ze door een park liepen, dat je in één stap stil kon staan als je liep, maar niet als je rende. Daar had ze experimenten mee gedaan, en die liet ze hem nu zien. In één stap stond ze stokstijf. Daarna rende ze een eind weg, stak een vinger omhoog ten teken dat ze het ging proberen, rende weer naar hem toe, hield ineens in, molenwiekte met haar armen, struikelde verder, viel bijna, en kwam in een rare, voorovergebogen houding tot stilstand. Hoe kon het nu toch dat dat niet lukte? Haast slap van de lach, terwijl zij ernstig luisterde, legde Emile uit dat dat kwam door de wet van de traagheid; de neiging van lichamen om in de toestand te blijven waarin ze zijn. Daar moest zij dan weer om lachen – dat de dwang tot verder hollen veroorzaakt werd door iets dat traagheid werd genoemd.
Ze had een heldere, geestige stem – waarmee ze hem soms schokte door vanuit het niets dingen te zeggen als: ‘Emile, als je kon zorgen dat iedereen gelukkig was, voor altijd, maar jij moest dan in een donkere kamer zitten waar je nooit meer uitkon, zou je dat dan doen?’
‘Nee,’ zei hij meteen, en zij leek opgelucht; zij zou het ook niet doen.”

 

De dwang tot verder hollen

Hoewel ik bij Ons Erfdeel – inmiddels de lage landen – jaren geleden ben aangenomen als medewerker voor theater, kreeg ik in het tweede nummer van 2013 de gelegenheid buiten de theaterlijnen te kleuren met een artikel over het werk van de door mij bewonderde Tim Krabbé. Niet alleen schreef Krabbé schitterende teksten over wielrennen en schaken, maar ook enkele voortreffelijke korte romans, waaronder de klassiekers De renner en Het gouden ei (twee keer verfilmd).
Met Marte Jacobs (2007), zo betoogde ik in dat artikel, bereikte hij een voorlopig hoogtepunt in zijn schrijverschap. En sindsdien is mijn mening niet veranderd, mede omdat Krabbé nadien nauwelijks meer iets in het fictieve genre heeft voortgebracht. Met een doorwrochte studie over de schietpartij op Columbine High School in april 1999 – Wij zijn, maar wij zijn niet geschift (2012) – en een uitvoerige beschrijving van zijn vriendschap met Ferdi E., de moordenaar van Gerrit Jan Heijn – Vrienden (2019) – heeft hij zijn schrijversloopbaan een verrassende wending gegeven: van (voornamelijk) fictie naar non-fictie, van dunne boekjes naar vuistdikke pillen.
Toch herkent de trouwe lezer ook in die tweede categorie de fascinatie voor de misdadigers, wetsovertreders en klootzakken van deze wereld, die zelfs in Krabbé’s debuutroman De werkelijke moord op Kitty Duisenberg (1967) al overduidelijk aanwezig is. Vrijwel alles wat Krabbé schrijft, wordt bepaald door een obsessieve zoektocht naar de ‘oprekbaarheid’ van iemands geestelijke of lichamelijke grenzen, soms positief, maar minstens zo vaak negatief.
Hoe deze obsessie psychologisch te duiden valt, en hoe je daarover in ethische zin moet oordelen, laat ik rusten. Als persoon maakt Krabbé er nieuwe vrienden mee, maar hij stoot er ook oude vrienden mee van zich af. Staan blijft, dat zowel zijn fictieve als non-fictieve sleutelfiguren, inclusief Tim Krabbé zelf, als het ware hunkeren naar competitie, uitdaging, rivaliteit.
Maar goed, Marte Jacobs.
Ik ben gek op meisjes, zowel echte als fictieve. Van die echte heb ik er – als broer van vijf zussen, als vader van drie dochters en als leraar in het voortgezet onderwijs – nogal wat om me heen (gehad). Van de fictieve vind ik Marte Jacobs de leukste. Ze wint het denk ik nipt van Takkie de Koning uit Anton Koolhaas’ Vanwege een tere huid, hoewel ik ook die om te janken zo leuk vind.
Net als enkele eerdere romans van Krabbé is Marte Jacobs een verhaal van een jeugdliefde, in dit geval een wederzijdse liefde met een ontgoocheling die er behoorlijk inhakt. In wezen is het een dieptragische geschiedenis, met dat aanvankelijk zo pure, ontwapenende meisje in het centrum, en de rivaliteit van de dichter Emile Binnenbaum en de schrijver Willem Reiff, concurrenten in letteren en liefde, daaromheen. Reiff is hier de klootzak die, als gezegd, bij Krabbé kennelijk nooit mag ontbreken.
De hoofdpersoon weet niet door te dringen tot Marte en komt amper verder dan eenzijdige verwondering over ‘de gruwelijke echtheid’ van het meisje. Juist daardoor ontstaat er ruimte voor de lezer om samen met hem verliefd te worden op Marte – de lezer die dat niet overkomt, heeft een hart van steen – en het intense verdriet te ervaren wanneer het uiteindelijk misgaat. De wederzijdse liefde vergaat, zelfs voordat die hardop is uitgesproken, laat staan tot een relatie heeft geleid. Binnenbaum – dichter, romanticus – kan niets anders doen dan het object van zijn verlangen gedenken in zijn poëzie: ‘Zolang hij gedichten schreef, waren ze samen.’
De laatste alinea in het fragment hierboven, die donkere kamer waar Marte het over heeft, doet natuurlijk sterk denken aan ‘het gouden ei’ dat in de gelijknamige roman in Saskia Ehlvest’s fantasie eenzaam door de kosmos zweeft. De nachtmerrie van de eenzame opsluiting, het isolement dat vergeefs op verlossing wacht, is een constante in het oeuvre van Krabbé. Al in het ‘filmverhaal’ Red Desert Penitentiary (1975) vraagt de bejaarde auteur James Gagan: “Wat is de grootste angst?” En hij geeft zelf het antwoord: “Het is de angst veroordeeld te worden tot eeuwigdurende eenzaamheid. Een reis voor altijd in een steenblok door het heelal.”
Wie zich in het werk van Krabbé verdiept en als het ware afdaalt in de ziel van de schrijver, ervaart de sportboeken, de korte romans en de latere documentaires als één organisch geheel. Een consistent oeuvre, buitengewoon boeiend en soms zeldzaam verontrustend. Het artikel in Ons Erfdeel eindigde ik aldus: “Want wat anders is het oeuvre van deze schaker-wielrenner-schrijver dan de rijke oogst van een unieke, onafhankelijke, onplaatsbare geest? ‘De Tim Krabbé van de Nederlandse literatuur,’ zoals hij zichzelf ooit noemde. Zulke eenlingen slagen er zelden in de hoogste eer te verwerven – in de vorm van een staatsprijs bijvoorbeeld – die hen wel degelijk toekomt.”
Er zijn naar mijn bescheiden mening prestigieuze prijzen uitgereikt aan mindere goden dan Tim Krabbé.

  • Tim Krabbé, Marte Jacobs, Amsterdam, 2007.

Mis niets en ontvang Nijhof Tekst in je mailbox

© 2022 Jos Nijhof