Edith de Gilde, Nachtzuster

Nachtzuster

De dag heeft dan nog steun aan rituelen:
tempen, wassen, bloeddruk. Het bezoek
brengt trosjes druiven mee en soms een boek
dat dicht zal blijven. Druiven kun je delen.

Als je al lijdt, dan lijd je toch met velen.
De grapjas in het bed rechts in de hoek
doet weer iets reuze komisch met zijn broek;
je reinste Pieter Bruegel-taferelen.

Maar nu de nacht. Omdat je hebt gekozen
tegen het semi-coma van een pil
lig je te woelen, heel je lijf in brand.

Daar snurkt er een; hier ligt de oude broze
meneer van Dam te kreunen, is dan stil.
Send in the rouwclowns. Dan is er haar hand.

Maar nu de nacht

Je staat er nauwelijks bij stil, maar het ritme van dag en nacht houdt lang niet op alle plaatsen gelijke tred. Er zijn vrachtwagens die in de nacht doordenderen naar hun plaats van bestemming, industriële centra waar de machines op volle toeren doordraaien, nachtclubs waar het geld in de kleine uren wordt verdiend. En er zijn ziekenhuizen, plaatsen waar veel grotere, soms onbevattelijke thema’s van ziekte en herstel, van leven en dood aan de orde zijn.
Kort geleden moest ik ruim een week doorbrengen op de afdeling cardiologie van het Alrijne ziekenhuis in Leiderdorp. Voor mij was dat een enorme ervaring, want tot dan toe kende ik ziekenhuizen alleen van de buitenkant. Met de binnenkant had ik alleen als bezoeker een paar keer kennisgemaakt. Mijn aanwezigheid duurde lang genoeg om deze ongekende entourage te ervaren als een soort parallel universum, een minikosmos waar ook ’s nachts bedrijvigheid heerst, minder hevig en hectisch dan overdag weliswaar, maar toch.
In dat universum plaatst Edith de Gilde haar gedicht ‘Nachtzuster’. Ooit, in m’n zoektocht naar poëzie in sonnetvorm ten behoeve van de literatuurles, trof ik het aan dankzij Google. Recente navraag bij de Haagse dichteres leerde me dat het gedicht een eerste prijs won bij een poëziewedstrijd in Amsterdam en dat het in 2012 werd opgenomen in haar bundel Vleugels van cement.
Het is een gaaf sonnet, met twee rijmklanken (-elen; -oek) in het octaaf en zogenaamd verspringend rijm in het sextet (tweemaal -oze(n); -il; -and). Na het octaaf vind een duidelijke wending plaats, ingeleid door het tegenstellende voegwoord ‘Maar’.  Inhoudelijk markeert de scheidslijn tussen octaaf en sextet de grens tussen dag en nacht.
Dat zijn allemaal interessante vormkenmerken om met leerlingen te bespreken. Daarnaast kunnen in de klas woorden als ‘tempen’ en ‘semi-coma’ wel enige toelichting gebruiken. En met de tekst ‘send in the rouwclowns’ raak je met jongeren sowieso op een onbetreden terrein. Daarachter gaat immers een compleet referentiekader schuil.
‘Send in the clowns’ kennen we natuurlijk vooral als lied van Stephen Sondheim, groot gemaakt door Frank Sinatra en in mindere mate door Judy Collins. Als uitdrukking betekent ‘Send in the clowns’ iets als ‘foute boel, zoek snel een oplossing!’ (zoals in het circus de clowns naar de piste worden gedirigeerd bij een mislukkende act, een val uit de trapeze bijvoorbeeld, waarna medische bijstand nodig is).
En dan die rouwclowns, de paljassen die in actie komen als het voor Cliniclowns te laat is, de hansworsten van het definitieve afscheid, zigzaggend tussen de graven – althans, zo zie ik ze altijd voor me, maar tegelijk besef ik de geringe nuance van dat beeld. Dat deze noviteit voor nabestaanden een zekere betekenis kan hebben, wil ik zeker niet uitsluiten. Hoe dan ook, wat dit gedicht betreft: ik vind de combinatie van de songtitel en het rouwclownfenomeen goed gevonden.
En dan hebben we de laatste vijf woorden van ‘Nachtzuster’ nog niet eens gehad…
Mijn persoonlijke ervaringen lopen niet volledig parallel – gelukkig maar, denk ik – met de inhoud van ‘Nachtzuster’, maar een deel herken ik toch, zeker als ik er een wat vrijere interpretatie aan geef. Overdag de vaste tijdstippen met metingen en medicijntoedelingen, aan het eind van de middag het reikhalzend uitkijken naar het bezoek, de uiteenlopende humeuren en temperamenten van de kamergenoten, nachten met weinig slaap.
Wat me het meest bij zal blijven, al word ik honderd – en óf ik dat word is na die week nog maar de vraag -, is de toewijding van de verpleegsters. Ik denk dat ik zelf niet de lastigste patiënt was, maar ik merkte dat niets hen teveel was, en dat elke inspectie, elk bezoekje, elk onderzoek werd afgesloten met de vraag: kan ik nog iets voor u doen? Nooit routineus, altijd geduldig en oprecht. Die toewijding, naast uiteraard de aandacht van m’n geliefden en vrienden die op bezoek kwamen of alleen maar een telefoontje pleegden, een appje of een kaartje stuurden: ze maakten de week dragelijk.
Of het waar is, kan ik niet met zekerheid zeggen, maar iemand vertelde me dat in het voormalige Diaconessenhuis (nu ook Alrijne) in Leiden aan de wanden van de wachtruimtes te lezen viel: ‘Ik was ziek en gij hebt mij bezocht’. Acht doodgewone woorden (uit Mattheüs 25 uiteraard), maar in deze rangschikking en in deze context kan ik ze niet lezen zonder m’n ogen te voelen prikken.
Wat is toch dat raadsel van de taal? Wat is toch dat machtige instrument om de ondoorgrondelijkheid van het leven niet zozeer te duiden als wel te verzachten? Bijna het volledige sonnet ‘Nachtzuster’ van Edith de Gilde kan ik met enige afstand lezen, tot daar aan het eind ineens die vijf woorden staan, waarnaar achteraf bezien al het voorgaande één lange aanloop was.
‘Dan is er haar hand.’ En ineens wordt dit gedicht, in al z’n naïeve eenvoud, groots. Ik vond dat al, en na een week in een ziekenhuisbed vind ik het nog meer.

  • Edith de Gilde, Vleugels van cement, Leiden, 2012.

 

Mis niets en ontvang Nijhof Tekst in je mailbox

© 2024 Jos Nijhof